Definition
▶
één
Het woord 'één' verwijst naar het getal 1 en wordt gebruikt om aan te geven dat er slechts één van iets is.
Das Wort 'ein' bezeichnet die Zahl 1 und wird verwendet, um anzuzeigen, dass es nur eines von etwas gibt.
▶
Ik heb één appel gekocht.
Ich habe einen Apfel gekauft.
▶
Zij heeft één huis in de stad.
Sie hat ein Haus in der Stadt.
▶
Er leest één boek per maand.
Er liest ein Buch pro Monat.