Definition
▶
hebben
Het werkwoord 'hebben' betekent het bezitten of beschikken over iets.
El verbo 'tener' significa poseer o disponer de algo.
▶
Ik heb een nieuwe fiets.
Tengo una bicicleta nueva.
▶
Zij hebben veel vrienden.
Ellos tienen muchos amigos.
▶
Heb jij het boek gelezen?
¿Has leído el libro?