Definition
▶
aanwezigheid
De aanwezigheid van iemand of iets op een bepaalde plaats of in een bepaalde situatie.
La presencia de alguien o algo en un lugar o situación determinada.
▶
De leraar merkte de afwezigheid van enkele studenten, maar de meeste waren wel aanwezig.
El profesor notó la ausencia de algunos estudiantes, pero la mayoría estaba presente.
▶
Haar aanwezigheid op het feestje zorgde voor een vrolijke sfeer.
Su presencia en la fiesta creó un ambiente alegre.
▶
De aanwezigheid van de directeur was essentieel voor de vergadering.
La presencia del director era esencial para la reunión.